dinsdag 15 maart 2016

Loslaten... en verbonden blijven

Toen ik vandaag mijn Facebook-posting van gisteren nog eens doorlas en de mooie reacties zag, realiseerde ik me dat het allemaal toch ook wel heel erg te maken heeft met alles waarover ik vanuit de praktijk met en voor ouders spreek. Ik heb daarom besloten de tekst ook nog als blog hier neer te zetten; dat bevordert ook sterk de ‘terugvindbaarheid’ (en nee, dat is geen goed Nederlands woord… hahaha!). (Een mooi plaatje zal ik er later nog even bij zoeken.)

“Vandaag is het 14 maart, de geboortedag van mijn moeder. Ze zou dit jaar 80 zijn geworden, als ze nog had geleefd. Ze stierf in 2006, net als mijn zusje op de 25e, alleen Karin stierf 25 juni en mijn moeder 25 juli. Net als mijn vader, die in 2004 overleed, was ze 70 en ik vond dat bijzonder: dezelfde leeftijd als mijn vader, met wie ze Karin en mij kreeg, en dezelfde dag als haar dochter, de 25e. Dit jaar is het dus tien jaar geleden dat we afscheid van haar namen.

Mijn moeder was moe van het leven; ze had er al jaren geen plezier meer in. Ik heb op veel manieren geprobeerd het haar wat lichter (in beide betekenissen van het woord: minder gewicht, meer licht) te maken en haar te betrekken bij dingen die een mens gelukkig kunnen maken, maar wie zélf het leven diep van binnen niet meer de moeite waard vindt, die kan door een ander niet worden 'gered'. Redden werkt uiteindelijk niet, want het maakt die ander tot een willoos slachtoffer en de 'redder' tot degene die zogenaamd weet wat er moet gebeuren. Het is een onderdeel van de driehoek 'dader-slachtoffer-redder' en dat is een dynamiek die in veel situaties voorkomt. De rollen liggen echter niet vast: wie in de ene sociale setting een slachtoffer is, kan in de andere best een redder of dader zijn. Alle combinaties zijn denkbaar en dat maakt het heel ingewikkeld.

Na jaren van pijn en verdriet om alles wat er niet was en wat niet lukte of steeds weer zo beschadigd raakte, heb ik mijn moeder meer en meer losgelaten. Dat was een heftig en pijnlijk proces, maar ik zag geen andere uitweg. Haar trauma, haar moeizame levensgeschiedenis werd sluipenderwijs mijn eigen problematiek en ik wist dat ik dat niet wilde. De scheiding van mijn ouders, die voor Karin en mij zoveel verdriet had veroorzaakt, wilde ik met alles wat er in mij aan kracht en moed zat, niet herhaald zien in ons eigen gezin. Ik nam min of meer afscheid van mijn moeder terwijl ze nog leefde, zodat ik er voor onze eigen kinderen als een krachtige, blije moeder kon zijn. Dat begreep niet iedereen; velen zagen ook niet hoe moeilijk dat was, hoeveel strijd het in mij veroorzaakte, hoezeer ik leed onder het loyaliteitsconflict, hoe het spanning gaf tussen Nico en mij.
Toch is het gelukt en is ons gezin overeind gebleven. De pijn die mijn moeder vanuit haar jeugd meenam naar haar eigen gezin, de moeite die zij had om vreugdevol door het leven te gaan... die heb ik denk ik goeddeels kunnen loslaten.

Dat vergde het loslaten van mijn moeder. Ik weet nog goed, hoe ze de laatste week van haar leven doorbracht. Ze had aangegeven bij ernstige ziekte niet behandeld te willen worden. Nadat ze een herseninfarct had gehad, kon ze niet meer lopen, niet meer praten, niks meer. Ze was amper bij bewustzijn. Ze kreeg een thuiszorgbed en we kregen nachtzorg van de thuiszorg. Samen met ooms en tantes van mijn moeders kant brachten we in haar flat de dagen door. Af en toe een washandje over haar gezicht, een rustig naast haar zitten... ze zeilde steeds verder weg. Ze kreeg niets te eten en te drinken en raakte langzaam in een schemerwereld. De laatste dag zat ik naast haar en had ik de indruk dat het snel afgelopen kon zijn. Ik riep mijn oom en tante erbij en met z'n drieën hielden we haar hand vast. We zeiden dat het goed was zo en dat ze mocht gaan. Dat deed ze...

Samen met haar jongste zus verzorgde ik haar en ze werd, zoals ze altijd vertelde over haar te vroeg overleden vader, thuis opgebaard. Vanaf dat moment nam ik mijn intrek in haar huis, tot aan de uitvaart. Ik ontving er condoleancebezoek en handelde administratieve zaken af. Af en toe ging ik even bij haar kijken en praatte ik wat tegen haar dode lichaam. Ik sliep in mijn eentje op een matras in de kamer, terwijl zij in de slaapkamer stond. Het waren kostbare dagen. Ik kon alsnog voor haar zorgen, nu zonder strijd, zonder kwetsende woorden. Ik bleef bij haar tot het allerlaatst, zoals ik dat ook bij mijn vader had gedaan (en tot mijn verdriet niet bij mijn zusje was gebeurd...).
Al mijn professionele werk gaat over hoe belangrijk het is dat ouders in het begin vrijwel onafgebroken bij hun kinderen (kunnen) zijn. Andersom denk ik dat het ook belangrijk is dat kinderen tot het laatst bij hun ouders (kunnen) zijn. Daarvoor wens je iedereen toe dat er geen trauma en boosheid tussen hen in staat, niet in het begin en niet aan het einde. En hoe beter we dat begin kunnen vormgeven, hoe beter ongetwijfeld ook dat einde zal kunnen verlopen.
Ik zal morgen een bloemetje brengen naar mijn moeders urnengrafje.”

Inmiddels staat er een roze hyacint in de knop, die de komende dagen onder invloed van het warme voorjaarszonnetje langzaam tot bloei zal komen. Warmte en tot bloei komen… onlosmakelijk verbonden!

zaterdag 12 maart 2016

Seksualisering versus babybelangen, deel 2

Afgelopen week schreef ik deel 1 van een blogserie over het boek ‘De Melkfabriek’.
Ik eindigde daarin met een opmerking over sarcasme, dat door sommigen, waaronder de auteurs, enthousiast wordt toegepast en door Wikipedia als volgt wordt omschreven: “Deze stijlfiguur is scherp en agressief van aard: er ligt altijd een aanval in besloten op een persoon, toestand of uitlating. Weliswaar kan sarcasme daardoor als een vorm van humor worden gezien, maar tegelijkertijd vormt het een aanval.” Ik stelde vorige week als afsluiting de vraag of dat een passende aanpak is voor de prille levensfase.

Het zal je waarschijnlijk niet verbazen als ik zeg dat ik het voor kraamperiode uit den boze acht. Je kunt natuurlijk bediscussiëren in welke levensfase het wél een geschikte manier is om belangrijke onderwerpen te benaderen, maar ik kan me voorstellen dat het soms inderdaad een goede functie vervult. Voor de periode kort na de bevalling lijkt me dat echter niet het geval en ik zal uitleggen waarom niet.

Ik stelde vorige week drie basisvragen:
  1. Worden de behoeften van het kind op waarde geschat?
  2. Schat de moeder zichzelf op waarde?
  3. Schat de samenleving de moeder-kindeenheid op waarde?
Een vervolg op de VBN-fysiologie, bij aanvang van de opleiding tot lactatiekundige

Hoewel de eerste vraag nog niet volledig is beantwoord, wil ik alvast vraag 2. erbij pakken.
Fysiologie is een door veel mensen volstrekt onbegrepen begrip. We zijn allemaal aan fysiologie onderworpen, of we dat nou leuk vinden en willen weten of niet, maar de kennis erover is vaak bedroevend. Hier vind je het één en ander aan uitleg en dan zie je dat het om onder andere stofwisseling gaat. Zowel de afgifte als de opname van stoffen door organen en het brein beïnvloedt hoe het lichaam functioneert en hoe we de wereld om ons heen ervaren én benaderen. Zijn we wantrouwig of ‘vertrouwig’? Streven we naar kracht of snakken we naar macht? Overkomt ons alles of overkomen we bijna alles? Hoe is ons brein geprogrammeerd via de fysiologie?
Afgelopen week las ik het bericht dat de theorie van ‘het ontbrekende stofje’ als verklaring voor depressie in feite een zeer wankel verhaal is. Ik sprak dan ook de verwachting uit dat dit de rol van de vroege levensfase waarschijnlijk alleen nog maar belangrijker maakt, omdat we zo langzamerhand weten dat het brein, zowel de anatomie (de letterlijke opbouw) als het functioneren (het overdragen van signalen) sterk afhankelijk is van de eerste maanden en jaren. De fysiologie heeft daarbij een grote invloed. Het brein is plastisch, het kan tot op hoge leeftijd bijleren en zich aanpassen, maar indringende vroege ervaringen kunnen vaak niet volledig ongedaan worden gemaakt. Je kunt strategieën ontwikkelen om met 'misprogrammering' te leren omgaan, maar dat kost natuurlijk energie, die je dan niet constructief in andere leuke en nuttige zaken kunt steken.

In het hele perinatale gebied (dus bij alles wat zich rondom de geboorte afspeelt) zien we dat de fysiologie niet meer de hoofdrol speelt. Gemiddeld genomen worden vrouwen steeds later zwanger (jarenlang verstoort de pil hun natuurlijke fysiologie), ze baren steeds minder vaak zonder hulpmiddelen en ingrepen in de thuissituatie (klinische, op pathologie ingestelde instellingen verstoren de bevallingsfysiologie) en er starten weliswaar veel vrouwen met borstvoeding, maar die cijfers dalen snel (en kunstvoeding rommelt met de fysiologie van zowel moeder als kind). (En nee, dat in 2012 gepubliceerde onderzoek over 38% met een half jaar was helaas geen goed onderzoek; methodologisch rammelde het aan alle kanten en het is dan ook een pijnlijke kwestie dat veel borstvoedingsdeskundigen er tamelijk klakkeloos achteraan zijn gelopen…).

Iemand die waanzinnig interessante dingen zegt over fysiologie in de perinatale periode is Michel Odent. Deze ‘éminence grise’ (letterlijk grijs, maar inmiddels ook echt op een uiterst respectabele leeftijd met zijn 86 jaar!) legt in diverse van zijn boeken glashelder uit hoe het werkt met fysiologie. Zo is thuis baren bij kaarslicht en zachte muziek niet zomaar een romantisch dingetje, een vage aangelegenheid of een sarcastisch te becommentariëren gebeurtenis, maar een evidence based aanpak. De auteurs doen er nogal schamper over; zo spreken ze in het voorwoord over vrouwen die ‘al klaarkomend hun kind gebaard hebben via hypno-birthing-technieken’. Daar klinkt, voor een ‘handboek’, niet al te veel kennis van de fysiologie in door. Het is namelijk zo dat fel licht de analytische delen van het brein aanspreekt en oproept tot waakzaamheid. Fysiologisch leidt het tot de afgifte van op z’n minst adrenaline, maar mogelijk ook cortisol. En wat is een belangrijk effect van cortisol? Een lage spiegel van oxytocine, want die twee werken antagonistisch: ze kunnen niet allebei hoog zijn. En wat is een belangrijk effect van een lage spiegel van oxytocine? In ieder geval dat je niet meer met een extatisch orgasme zult baren, maar zeker ook minder weeën, minder overgave, minder ontspanning. En wat is dáár het gevolg van? Een bevalling die niet vordert. En dan…? Stress, nog meer stress… en dan pijn… en dan ingrijpen… en misschien naar het ziekenhuis… en hoe moet het dan met het borstvoeden…? En waarom krijg je je baby niet aangelegd? Waarom hapt ze niet? Waarom voel je je zo waardeloos? Is dit nu zo bijzonder, bevallen? Het is meer een doffe ellende waar je doorheen moet om dat kind ter wereld te brengen. Voorlopig even niet nog een keer… Onder zulke omstandigheden lijkt sarcasme, een agressieve aanval op een persoon, toestand of uitlating ineens een stuk meer voor de hand te liggen.

De cijfers over vrouwen die op hun bevalling reageren met verschijnselen van PTSS, een posttraumatische stressstoornis, zijn schrikbarend. Claire Stramrood is erop gepromoveerd en is nu bezig met een onderzoek onder vrouwen die hun ervaring willen delen. Mooi, dat er aandacht voor is, maar wat gaan we doen om al die diep verdrietige ervaringen te voorkomen? Een baring zou een inspirerende, intens transformerende gebeurtenis moeten zijn in het leven van een vrouw, één waaruit ze kracht put die ze via haar moederschap aan haar kind kan doorgeven. Daar past geen sarcasme, dat volgens de definitie agressief van aard is, en waarin altijd een aanval op een persoon, toestand of uitlating besloten ligt. Een aanval… waarop, zo vraag ik me dan af? Op welke persoon, welke toestand, welke uitlating? Hoe kan een borstvoedingsrelatie een succes worden, als agressie (adrenaline ten top… wéér die fysiologie!) de boventoon voert? En hoe ga je het 'mislukken' ervan voor jezelf tot een goed verhaal maken?

Een moeder die baart, een moeder die net heeft gebaard of een moeder die net begint aan een borstvoedingsperiode… ze heeft een oxytocinebad nodig, een heerlijke overdosis van dit prachtige hormoon dat zulke mooie dingen tot stand brengt. Ik legde het onlangs in een consult nog weer eens uit aan een moeder. Als je net bent bevallen, is er een nieuw mensje op de wereld gekomen dat volledig van jou afhankelijk is. Het is de bedoeling dat je verliefd wordt op dat lieve kind, dat je, net als wanneer je verliefd bent op een volwassene, niks liever wilt dan de hele dag samen zijn, zodat je alles van elkaar te weten komt, dat je verdrinkt in elkaars ogen en dat de rest van de wereld nauwelijks nog lijkt te bestaan. Moeder Natuur helpt je daar via de fysiologie fantastisch bij, want oxytocine ondersteunt al die dingen. Je staat met al je poriën open om dat hummeltje in je op te nemen en te voeden. Daar zit één nadeel aan… je staat ook meer dan goed voor je is open voor negatieve dingen in je omgeving. Normaal kun je daar redelijk op filteren, maar met zo’n oxytocine-overdosis is dat moeilijk. De taak van moeders partner en andere dierbaren is dan ook om te zorgen dat moeder alles wat er aan prikkels binnenkomt, risicoloos zou moeten kunnen toelaten, oftewel: ALLE prikkels dienen bij voorkeur veilig en aangenaam te zijn en het vertrouwen van de kraamvrouw in haar moederlijke vaardigheden te ondersteunen. Negatieve kwalificaties over haar buik, haar borsten (‘uiers’...?!), haar baby… allemaal verboden. Sarcasme, agressie met een aanval op persoon, toestand of uitlating: volstrekt taboe.
Een kraamperiode die tegenvalt of aan elkaar hangt van ellende, wordt namelijk een PTSS-spook, een levensfase die je ondermijnt in plaats van ondersteunt, een baby-honeymoon die eerder het risico van een echtscheiding dan van een lang en gelukkig huwelijk in zich draagt (figuurlijk dan, hè, maar als je het letterlijk wilt opvatten, heb ik er ook niks op tegen).

Emancipatie is niet dat je wordt zoals vaak van mannen wordt verwacht dat ze zijn (hoewel het maar zeer de vraag is of die mannen daar zo bij zijn gebaat…), namelijk stoer en ‘geen mietje’ en voorbijgaand aan het zachte. De kunst voor íedere volwassene is om krachtig in het leven te staan, kwetsbaarheid te herkennen waar die zich voordoet en die vastberaden te beschermen. Daar hoort ook bij dat je loslaat wat je beschermde, als die ander of dat andere jouw bescherming niet meer nodig heeft en zichzelf tot ontwikkeling kan brengen. Bij baby’s duurt dat alleen wel even, dus maak maar niet te veel haast. Of, zoals vroedvrouw Rebekka Visser het afgelopen week noemde in haar éénregelige ‘column’: ‘Wat gebeurt er met je cake als je de oven open doet om te kijken of hij al rijst?’ Kortom: bescherm de warmte die je kind doet groeien en houd vooral de deur dicht voor mensen en boeken met sarcasme dat je agressief benadert en klein maakt.

zaterdag 5 maart 2016

Seksualisering versus babybelangen, deel 1

Er is al veel te doen geweest over een boek dat is verschenen en dat de titel ‘De Melkfabriek’ draagt. Eerst maar even een greep uit de aandacht voor de publicatie: een interview met de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen, een artikel op de website van Kroost, waarvan een paar medewerkers betrokken zijn bij het boek, een open brief van Mevrouw Boob, die van een afstandje naar het boek kijkt, een item bij RTL Late Night, een interview op Radio1 en verder zowel op twitter als op Facebook heel veel discussie op de pagina’s van heel veel mensen. Daar horen ook blogs en artikelen bij die zijdelings aan de discussie gerelateerd zijn, zoals dit bij Kiind of dit over taalgebruik bij Kenniscentrum Borstvoeding.

Ook ik heb links en rechts mijn duit in het zakje gedaan. Ik ga er hier graag wat dieper op in, want het is wel bijzonder dat dit boek zoveel losmaakt. Waar komt dat van?

Voorafgaand aan het uitkomen van het boek waren er hier en daar al passages te lezen geweest voor geïnteresseerden van binnen en buiten het borstvoedingsvakgebied. De reacties liepen uiteen. Sommigen waren heel enthousiast over zowel toon als inhoud, anderen waren om uiteenlopende redenen kritisch of afkeurend. Zelf hanteer ik al een aantal jaren op tamelijk consistente wijze één kernvraag bij allerlei documenten, beleid en methodes en die vraag luidt als volgt: op welke wijze worden de behoeften en de belangen van het kind gediend?
Ik vind dat een cruciale vraag. Een kind is immers afhankelijk van de keuzes die volwassenen voor haar maken. Ze kan nog niet onderbouwd en met redenen omkleed van zich laten horen en omschrijven wat ze zou doen als ze het zelf mocht regelen, als ze zelf mocht beslissen, op basis van de kennis waarover wij als volwassenen wél beschikken. Uiteraard kunnen we de keuzes van het kind niet in detail invullen, maar we kunnen er op allerlei gronden wel met een behoorlijk ‘educated guess’ een slag naar slaan. Dat kan op basis van wat we weten over hoe het brein zich optimaal ontwikkelt en wat daarvoor nodig is. Daar horen diverse voor de hand liggende dingen bij: veiligheid, betrouwbare, responsieve en fysiek beschikbare verzorgers, gezonde voeding die de darmfunctie en de darmflora ondersteunt en nog wel meer, maar dit zijn de belangrijkste.
Daar redelijk direct aan gekoppeld is de vraag of degene aan wie de eer toevalt primair in die vroege behoeften te kunnen voorzien, daartoe in staat is en in staat wordt gesteld.

Zo kom ik op drie basisvragen:
1.       Worden de behoeften van het kind op waarde geschat?
2.       Schat de moeder zichzelf op waarde?
3.       Schat de samenleving de moeder-kindeenheid op waarde?
Aangaande deze vragen zag ik nogal wat knelpunten in de reacties van de auteurs in de diverse media-uitingen. Ik maak een begin met een analyse.

Een paar fundamentele punten, even voor de helderheid: een mens is een sociaal wezen. Een kind komt ter wereld met de verwachting dat er een veilige leefomgeving is om in op te groeien. Er is veel veranderd in onze samenleving sinds de tijd dat we verzamelaar-jagers waren. Ik zet deze woorden bewust in deze volgorde: het vrouwelijke verzamelwerk leverde namelijk een stuk meer calorieën op dan het mannelijke jagen, dus de rol van vrouwen in de voedselvoorziening is altijd cruciaal geweest; zie voor meer informatie het werk van Sarah Blaffer Hrdy. Toch wordt, ondanks alle veranderingen,  ons brein ook in het huidige, post-industriële tijdperk nog steeds aangestuurd door een aantal sterke, fundamentele emoties. Daarvan is angst een heel belangrijke, omdat die overlevingsstrategieën in gang zet. Baby’s kunnen in hun eentje niet overleven en hebben dus altijd een verzorger nodig. Dat is waarom kinderarts en psychoanalyst Donald Winnicott in de jaren 60 zei: ‘There is no such thing as a baby; there is always a baby and someone”. Hoe beter die verzorger in staat is om voor veiligheid te zorgen (en zo angst en stress op afstand te houden), hoe beter het kind zich kan ontwikkelen.
Da’s niet moeilijk, toch? Dat snappen we allemaal, want dat geldt net zo goed voor volwassenen: als je bang bent, kun je niet goed iets nieuws leren, want dan functioneert je brein niet goed.

Nu wil het geval dat vrouwen uitzonderlijk goed zijn toegerust voor het bieden van die randvoorwaarden voor veiligheid en voeding, en hun borsten vervullen daarbij een essentiële rol. Ik vond dat persoonlijk een grote eer, maar er schijnen ook vrouwen te zijn die het een on-eer-lijke aangelegenheid te vinden dat dat hulpeloze wezentje, waarvoor ze meestal zeer bewust hebben gekozen, ‘ineens’ van alles van ze wil. Ze gaan klagen, dat dat niet in hun leven past, dat het ouderschap wel leuk moet blijven, en dat pleitbezorgers van gezonde voeding en een responsieve benadering lid zijn van de georganiseerde misdaad, van een geheime, criminele organisatie met criminele, culturele, politieke en economische segmenten. Deze vrouwen plaatsen zichzelf, kortom, in de slachtofferrol en daarvoor leggen ze de verantwoordelijkheid bij anderen, want die praten hun een schuldgevoel aan.
Is dit die belevingswereld waarbij de auteurs van het boek ‘De Melkfabriek’ zich zeggen aan te sluiten…? Is dit het type moeder en vrouw dat zich herkent in het boek en er enthousiast over is?

Ik moest denken aan de zogenaamde marshmallowtest, waarvan je hier een versie vindt en hier nog een vernieuwde editie. De strekking van die test is de volgende: een kind dat in staat is te wachten op meer van dat waarnaar het uitkijkt, blijkt later in het leven succesvoller te zijn. Het blijkt een zeer sterke voorspeller: zelfbeheersing en langetermijndenken gaan gepaard met betere resultaten. De tweede test is interessant: hoe betrouwbaarder de omgeving is, hoe beter een kind leert om de bevrediging van bepaalde behoeften even uit te stellen omwille van een groter rendement iets verder in de tijd.
Wie dat als kind niet goed leert, schijnt er later moeite mee te houden.

Hoe kunnen we vanuit dat idee kijken naar de investering van ouders in een baby in de vroege fase? Hoe verhoudt die investering zich tot de dringende wens om nu, nog steeds, net als voor de komst van dat kleine mensje, de *eigen*, volwassen behoeften *meteen* te bevredigen, zodat alles ‘leuk’ blijft?

Is het echt zo moeilijk om gedurende een tijdje een deel van de eigen behoeften wat meer naar de achtergrond te verplaatsen? En was de komst van dat kind trouwens niet óók een heel grote eigen behoefte? Hoe komt het, dat het als zo’n zware last wordt ervaren om de babybehoeften voorrang te geven en daarin te investeren? Welke eigen behoeften van de ouder zijn in een eerder stadium niet bevredigd en schreeuwen nu alsnog om aandacht?
Wat ik proef in wat ik tot nu toe van het boek heb gelezen en hoe ik de schrijvers erover hoor praten, is vooral een sfeer van volwassen verwende kinderen, die nu ouders zijn: “Ik beslis zelf wat ik doe en ik trek me van niemand wat aan, zeker ook niet van dat kind met haar behoeften, als die mijn eigen behoeften in de weg zitten.” In dit artikel luidt dat als volgt: "We wilden een informatiebron die de moeder centraal stelt, niet de baby.” In het ‘Voorwoord’ klinkt het als: “ [I]k vind dat iedere vrouw mag kiezen of en hoe lang ze borstvoeding wil geven” en “Ik wilde graag proberen om mijn kind borstvoeding te geven, ja” en “[I]k wil [mijn borsten]  best even inzetten als melkmachine, maar daarna zijn ze weer van mij” en “[vind] je het niet leuk, dan mag je ook echt stoppen”. Ik, ik, ik. Mijn meningen, mijn keuzes, mijn leuke leven. Er lijkt weinig plaats voor zo’n mooi begrip als dienstbaarheid of wederzijdse afhankelijkheid… of voor de vragen: “Wat zou mijn baby willen? Wat heeft ze nodig? Hoe kan ik daaraan zo goed mogelijk tegemoet komen?”



De behoeften van de baby, vraag 1. hierboven, staan meestal niet op de voorgrond in de samenleving, maar kunnen bij gebrekkige bevrediging een generatie later lelijk opspelen. Dat kan zich op allerlei manieren uiten. Het boek ‘Parenting for a Peaceful World’ van Robin Grille biedt een fascinerende blik daarop, maar er zijn uiteraard veel meer goede bronnen. In een volgend deel ga ik uitgebreider in op de verhouding tussen behoeftebevrediging, het gebrek daaraan en de gevolgen, zoals lelijk bijtend sarcasme, dat door sommigen, waaronder de auteurs, luid wordt geprezen, maar door Wikipedia als volgt wordt omschreven: “Deze stijlfiguur is scherp en agressief van aard: er ligt altijd een aanval in besloten op een persoon, toestand of uitlating. Weliswaar kan sarcasme daardoor als een vorm van humor worden gezien, maar tegelijkertijd vormt het een aanval.” Is dat een passende aanpak voor de prille levensfase? Volgende keer meer, onder andere daarover.

vrijdag 11 september 2015

Vitamine D: van vitaal belang voor je gezondheid!

Een lang blog vandaag, want ik wil iets belangrijks met jullie delen, dat ik niet verder kan inkorten.
Lactatiekundige zorg heeft ook aandacht voor de voedingsstatus van de moeder en zo raakte ik naast die over hechting en borsten verzeild in kennis over vitamines. De afgelopen weken heb ik met groeiende verbazing het boek ‘The Vitamin D Solution’ gelezen, geschreven door één van de pioniers op dit gebied, Michael F. Holick, PhD, MD, professor aan het Boston University Medical Center in de Verenigde Staten. Ongelooflijk, hoe belangrijk vitamine D is voor ons algeheel welzijn en hoeveel aandoeningen je kunt voorkomen met een gezonde D-status… of liever omgekeerd: hoeveel ellende er op allerlei gezondheidsgebieden voortvloeit uit de pandemie die vitamine D-deficiëntie is. Hier vind je het (Engelstalige) boek. Het kost, zoals je ziet, € 12,76 en hoewel ik geen aandelen of zo heb in dit leesvoer, zou ik iedereen op het hart willen drukken dit boek aan te schaffen en te lezen. Het is een bedragje van niks voor een schat aan kennis! Ik wil mijn exemplaar best uitlenen, maar als jullie daar allemaal om vragen, dan duurt het veel te lang voordat je aan de beurt bent en al die tijd ga je dan wellicht afwachten of het wel echt een goed idee is om vitamine D te gaan slikken. En als ik het over slikken heb, dan heb ik het over degelijke hoeveelheden, niet de miezerige 400 IE/IU (internationale eenheden/units) die door de Nederlandse Gezondheidsraad en ook door diverse andere instanties en zorgverleners worden geadviseerd. Die 400 IE/IU zijn bij een chronisch tekort namelijk net zoiets als een emmer water over je uitgedroogde tuin: dat zet geen zoden aan de dijk.
Het is inmiddels september, dus met de winter in aantocht is het van groot belang dat je je status op peil houdt… of in veel gevallen: brengt, aangezien er straks uit het zonlicht geen UVB meer kan worden opgevangen om D aan te maken. Een slechte status aan het begin van de winter betekent een dramatische toestand aan het einde ervan en dus een nóg kwetsbaarder gezondheid.

Wie mij privé tegenkomt, weet dat ik al langer gefascineerd ben door deze vitamine. Ik heb al tegen heel wat mensen gezegd: “Hoe is je status? Slik maar gewoon een supplement, want je status is vrijwel zeker te laag en zomaar niet te hoog!” De aanstichter van deze gretigheid is mijn inmiddels extreem goed geïnformeerde lactatiekundige collega Emmy Janson. Ze is een paar jaar geleden begonnen dit hele onderwerp te bestuderen en tot op de bodem uit te pluizen en heeft al heel wat conclusies met haar collega’s gedeeld. Sommigen in mijn sociale kring kijken mij wat meewarig aan als ik voorstel dat ze hun vitamine D-status laten prikken door de huisarts, maar dat is de enige manier waarop je een nulmeting kunt doen en vanaf daar kun je je eigen beleid bepalen op basis van de vele informatie die er beschikbaar is over deze zonvitamine. Dat is hoe Emmy het begon uit te leggen aan ons en ik weet één ding zeker: als Emmy ergens in duikt, dan doet ze dat grondig en dan deugen de dingen die ze er vervolgens over meldt.

Laat ik beginnen met een aantal basiszaken.
-         * Vitamine D is in essentie geen vitamine, maar een (pre)hormoon. Vitamines zijn namelijk ‘vitale amines’, stoffen die je nodig hebt voor je overleving, maar die je niet zelf kunt aanmaken in je lichaam en die je dus uit je voeding moet halen. Vitamine D maak je wél zelf aan; je doet dat in je huidcellen. Onder invloed van de UVB-straling in het zonlicht maken cellen in je huid een stof aan die door de lever en de nieren wordt omgezet in de stof die we gewoonlijk vitamine D noemen en die dan bruikbaar is voor het lichaam. In voeding zit ook wel wat vitamine D, maar weinig. Vrijwel niemand zal erin slagen op basis van haar dieet een goede D-status op te bouwen. Wat daarvoor nodig is, is regelmatige, onbeschermde blootstelling aan de zon in de maanden dat de zon recht genoeg boven de aarde staat om die straling bij ons te laten terechtkomen. Grofweg is dat op onze breedtegraad op aarde in de zomermaanden van 10.00 -17.00 uur (en in maart en september van 12.00-15.00 uur).
-          * Blootstelling aan de zon, vooropgesteld dat je niet verbrandt, is *niet* gevaarlijk voor je gezondheid. Een tekort aan zonlicht en zodoende een tekort aan vitamine D is dat zeer zeker wel. Bedenk dat je, wanneer je wél in de zon bent maar tegelijkertijd ook zonnebrandcrème gebruikt, de opname van UVB zodanig vermindert dat je weinig tot geen vitamine D kunt aanmaken.
-         * Vitamine D speelt een cruciale rol in je metabolisme en in de functies van je spieren, je hart, je neurologie en je immuunsysteem in brede zin en dus ook de regulatie van ontsteking (wat iets anders is dan infectie!), zoals bij reuma en ziekte van Crohn. Al deze systemen hebben dus te lijden onder een vitamine D-deficiëntie; bij disfunctioneren stijgt de kans op ziekte. We praten dan over de link van een vitamine D-tekort met hartproblemen, bloedvatproblemen, vroeggeboorte, preeclampsie (zwangerschapsvergiftiging), hoge bloeddruk, aderverkalking, arthritis, MS, osteoporose, slechte wondgenezing, apnoe, luchtweginfecties, spierzwakte, een gebrek aan algehele conditie, fybromialgie, diabetes, arthritis, ziekte van Crohn, depressie, premenstrueel syndroom (PMS), slaapproblemen en dementie. Er zijn zelfs sterke aanwijzingen dat diverse vormen van kanker door een vitamine D-tekort in de hand worden gewerkt! (Dit lijstje is niet uitputtend; er is meer.)
-         * Vitamine D die je aanmaakt in de zon, gaat zeker twee keer zo lang mee als vitamine D die je via een supplement inneemt en bovendien geeft de blootstelling aan de zon ook andere gunstige effecten die je mist bij een supplement.
-         * De gunstige effecten van vitamine D op je botstelsel worden pas bereikt als je ook voldoende vitamine K (bijvoorbeeld uit groene groente) en kalk binnenkrijgt en het is daarom goed om uit te zoeken hoe je de inname van deze bestanddelen zo in balans kunt krijgen, dat je hele lichaam erop kan gedijen.

Nu zijn er ongetwijfeld mensen die zeggen: “Maar ik ben een zonaanbidder, dus ik heb dat niet nodig.” Aangezien we in Nederland echter slechts een klein deel van het jaar en een klein deel van de tijd de gelegenheid hebben om dat nuttige zonlicht op te vangen, is het een goed idee om het hele jaar door vitamine D te slikken. Zo wordt het een goede routine, die je niet vergeet, omdat je het iedere dag doet.

Een goed plan van aanpak zou het volgende kunnen zijn:

* Lees je in op deze site of deze of deze, zodat je weet wat het belang is van vitamine D en wat je waarde zou moeten zijn aan het einde van de zomer, zodat je er de winter mee doorkomt. D krijg je uit de zon en nauwelijks uit voedsel, dus als je een tekort hebt, is er maar één optie: suppleren. Voeding alleen zal je status niet wezenlijk verbeteren. (Let op: in Amerika wordt een andere waarde gehanteerd dan in Nederland, dus je moet rekenen! De waarde die de Amerikanen hanteren (ng/ml), moet je met 2,5 vermenigvuldigen om op de Nederlandse waarde (nmol/L) uit te komen. De Amerikaanse waarde 30-100 als voldoende vertaalt zich dan dus in 75-250 voor de Nederlandse waarde.)
* Laat bij de huisarts je vitamine D-status prikken en vraag expliciet om de waarde die wordt vastgesteld. Een uitslag als 'hij is voldoende' of ‘een beetje laag’ is te vaag; vraag om het getal van de waarde. (Dikke kans dat deze onder de 50 zit...)
* Nu heb je een nulmeting en als die te laag is (wat voor het gros van de mensen helaas het geval is...), kun je grondig gaan suppleren. Ga daarbij niet te kinderachtig te werk, maar slik een flinke dagelijkse dosis; dat houdt in een paar duizend internationale eenheden (IU of IE) per dag en dus niet 400 IU, zoals vaak wordt voorgeschreven.
* Voer de komende weken nog een verstandig zonbeleid: tussen 12.00 en 15.00 uur zo bloot mogelijk en zónder zonnebrand een aantal minuten tot een half uur per dag in de zon om optimaal UVB-straling op te nemen. Dát is namelijk de straling die in je huid wordt opgenomen en daar in de voorloper van vitamine D wordt omgezet (waarna je lever, je nieren en andere lichaamscellen de rest doen). Van oktober tot april kun je door de stand van de zon in ons land geen vitamine D aanmaken, hoe veel je ook buiten bent, dus geniet er nog even van! (Let op: zorg dat je niet verbrandt en smeer je na die onbeschermde zonperiode in met een goede crème, die zowel tegen UVA als UVB beschermt of, een andere goede suggestie: bedek een groter deel van je lichaam met kleding.)
* Het kan even duren voordat je status beter is en je je beter gaat voelen, maar voor de rest van je leven is een goede status van groot belang en NU is dus een goed moment om ermee te beginnen! (Ter controle kun je over een half jaar nog eens laten prikken en kijken hoeveel je vooruit bent gegaan. Wees erop verdacht dat je huisarts er wellicht het nut niet van inziet; je zult zelf moeten beslissen hoe je daarmee wilt omgaan.)

Op het vitamine D-verhaal bij zwangerschap en borstvoeding kom ik hopelijk binnenkort nog eens terug. Daar wil ik me nog wat meer in verdiepen, maar één ding staat vast: moeders die D-deficiënt zijn, baren D-deficiënte kinderen. Dat is om allerlei redenen een zeer zorgelijke aangelegenheid, want zoals hierboven aangegeven: de gevolgen van een slechte D-status zijn enorm.

In veel gevallen zal een zorgverlener niet aan de status van je vitamine D-gehalte denken als je met klachten komt. Het lijkt te simpel, te eenvoudig: een gratis therapie, of desnoods een goedkoop supplement als ‘medicijn’ tegen je klachten? Ja, dat is zeer goed mogelijk, maar ja… de farmaceutische industrie kan op vitamine D natuurlijk geen winst maken en op jouw verantwoorde zonnebad al helemaal niet! Bovendien ziet het er niet zo intelligent uit: “Ben je ziek? Ga maar regelmatig een poosje in de zon liggen!” En toch is dat mogelijk in veel gevallen het beste advies dat mensen zouden kunnen krijgen.
“Nee, niet doen”, schreeuwen paniekzaaiers, “daar krijg je huidkanker van!” Holick heeft heel veel onderzoek gedaan (je kunt daarover lezen in zijn boek) en legt uit dat de meeste vormen van huidkanker goed te behandelen niet-melanomen zijn: meestal niet dodelijk. Hij heeft becijferd dat het aantal sterfgevallen door een teveel aan zonlicht zich tot andere vormen van veel dodelijker kanker als gevolg van een tekort aan zonlicht verhoudt als 1:50. Tegenover één sterfgeval aan te grote blootstelling staan dus zo’n 50 sterfgevallen door een D-deficiëntie. Dat is niet niks.
Je cellen hebben soepelheid nodig om hun functies goed te vervullen. Missen ze soepelheid en kracht, dan maken foute cellen een veel grotere kans om zich te ontwikkelen: kanker.
En daarnaast zijn er dus veel sterfgevallen door andere ziekteoorzaken, zoals hartaanvallen en bloedvatproblemen.

Het is allemaal nogal heftig, de gevolgen van een vitamine D-tekort. Ik ben ervan geschrokken en ben nu extra gemotiveerd om mijn dagelijkse dosis trouw in te nemen. Overdosering via een supplement met zogenaamd toxische gevolgen is namelijk vrijwel onmogelijk. Door specifieke, ingenieuze mechanismen in de huid en de rest van je lichaam kun je met zonlicht sowieso niet overdoseren voor vitamine D, maar zelfs met supplementen is dat hoogst onwaarschijnlijk. Je zou daarvoor meer dan 10.000 of 20.000 IE/IU per dag moeten slikken gedurende meer dan zes maanden en dan een gehalte hebben van zo’n 375 nmol/L of hoger. De meeste mensen zullen echter eerst flink moeten slikken om maar eens op 75 nmol/L uit te komen, dus daarover geen zorgen!
(Over de details over bepaalde gehaltes en aanvullingen met andere vitamines of mineralen verschillen diverse schrijvers van mening (zie bijvoorbeeld dit eveneens goedkope boek van Wagner, Taylor en Hollis; ik heb het niet gelezen, maar collega Emmy wel. Over één ding zijn de auteurs het echter grondig eens: de meeste mensen hebben een veel te lage D-status en het is voor je algehele gezondheid op zowel de korte als de lange termijn van belang die status te optimaliseren.)

Daarnaast is gezond eten natuurlijk ook een fantastisch goed idee, maar voor je vitamine D-status is dat niet voldoende. Holick heeft berekend dat je voor je benodigde dagelijkse dosis vitamine D het volgende zou moeten consumeren: drie blikjes sardientjes, tien tot twintig glazen met D versterkte melk, tien tot twintig bakjes ‘cereal’, vijftig tot honderd eidooiers of elke avond 200 gram wilde zalm! Dat is een ondoenlijke zaak, dus maak het jezelf wat gemakkelijker. Koop en lees dat boek, mensen, of het boek van Wagner, Taylor en Hollis… of beide of dit Nederlandstalige boek!
Spendeer zo’n luttel bedrag aan je gezondheid en draag de gewoonte van vitamine D slikken over op je kinderen. Iedereen is altijd een voorstander van preventie; dit is waarschijnlijk één van de allerbeste en ook meest simpele vormen van preventie: geniet van de zon en suppleer! Op jullie gezondheid!

vrijdag 4 september 2015

Probleemoplossing

Om maar met de deur in huis te vallen: ik ben een hartstochtelijk voorstander van probleemoplossing. Dat lijkt een open deur, maar mijn ervaring is dat er vaak met grote overgave aan symptoombestrijding wordt gewerkt. Mij lijkt dat op z’n zachtst gezegd een suboptimale aanpak. Ik draai liever de kraan dicht in plaats van ijverig met goed materieel te dweilen. Ik zorg liever voor nieuwe schroeven in de scharnieren van een keukendeurtje dan dat deurtje steeds met geweld dicht te drukken. Ik trek liever passende schoenen aan dan steeds dure blarenpleisters te plakken. En toen we een paar keer aan het verbouwen waren in en aan ons huis, zag ik liever mijn vakkundige timmermannen lang werken aan een goed fundament voor de uitbouw of aan passende openingen voor de nieuwe kozijnen, dan na verloop van tijd te moeten stutten of tocht en lekkage te moeten aanpakken. In diezelfde lijn help ik ook liever borstvoedingsproblemen op te lossen dan dat ik met een moeder een grondig plan schrijf om de symptomen van die problemen te bestrijden. En zo logisch als dat allemaal moge klinken… ik zie dus echt vaak dat dat wel gebeurt. Hoe ziet dat eruit? Een klein, redelijk eenvoudig uit te breiden rijtje:
O een tepelhoed gebruiken om de pijn van het aanleggen te dempen;
O bijvoeden om de tekortschietende productie te compenseren;
O blijven oefenen met allerlei aanlegmethoden om de te korte tongriem te omzeilen;
O inbakeren om de eenzame of onrustige baby te kalmeren;
O minder aanleggen om de borst bij een borstontsteking ‘rust’ te geven.
En de ultieme symptoombestrijding: stoppen met de borstvoedingsrelatie om van alle problemen af te zijn.

Als vrouw je intrede doen in het moederschap is niet zomaar wat; het is een grote transitie, een ingrijpende overgangsfase in je leven, groter dan voor je partner en anderen in je sociale omgeving. Zeker als je voor de eerste keer een baby krijgt, ga je een intens groot leeravontuur aan. Er is veel dat je over je baby moet leren, maar er blijkt vaak ook ineens heel veel in jezelf te zijn waarop je grondig en toegewijd moet studeren en dat kan een spannend, uitdagend pad zijn, maar ook een confronterende weg vol hindernissen. Een kind vormt immers vaak een kraakheldere spiegel, al denken we misschien dat we een ander gereflecteerd zien als we erin kijken. Zijn we dat zelf…? Is wat dat kleine kindje laat zien, een deel van wie wij zijn? En waarom kunnen we de taal van ons kind nog zo slecht ontcijferen? Heel veel leerpotentieel, kortom.

Hoewel er in de media, in tijdschriften en in cursussen op veel manieren aandacht aan het (aanstaande) moederschap wordt besteed, wordt er tegelijkertijd ook verwacht dat je die taak vervult naast alle andere taken die je al had en dat die andere taken daarbij voortgang vinden zonder al te veel verandering te ondergaan. Ik heb daar een vrij ongecompliceerd idee over: dat kan niet.
Hoe ik tot die simpele gedachte kom? Daar heb ik een aantal argumenten voor; laten we met de voor de hand liggende beginnen.
O Een kind vraagt praktische aanpassingen.
In je huis maak je ruimte voor je kind en hoe groter het wordt, hoe meer ruimte het vraagt met een eigen kamer, speelgoed en een plek om huiswerk te maken. Je koopt een draagdoek, past slaapplekken aan, plaatst een zitje op je fiets en koopt wellicht een andere auto. En verder verandert natuurlijk je dagritme.
O Een kind vraagt financiële aanpassingen.
Een heel aantal van deze praktische aanpassingen gaan met financiële aanpassingen gepaard. Er moeten kleren worden gekocht, schoolboeken, lidmaatschappen van sportverenigingen, fietsen, extra verzekeringen en natuurlijk ook meestal de toegang tot allerlei onderwijsinstellingen.
O Een kind vraagt sociale aanpassingen.
Daar waar je gemakkelijk de deur uitliep voor de geboorte van je kind, moet je nu meer nadenken: ga je alleen, gaat je kind mee, en zo niet wie zorgt er dan voor je baby en is het okay om je baby daar mee naar toe te nemen waar je van plan was heen te gaan? Je plant minder afspraken omdat je zelf nog moe bent of omdat je baby rust nodig heeft en uitgaan ziet er ineens heel anders uit.


Dat zijn de ‘simpele’, de logische dingen. De meest ingrijpende is waarschijnlijk echter de emotionele, de psychologische aanpassing die de komst van een kindje in je gezin met zich meebrengt. Daar waar je, eventueel in goed overleg met je partner, altijd helemaal je eigen leven kon inrichten en de keuzes kon maken die bij jou en jullie pasten, heb je ineens een klein mensje in je midden dat je aandacht vraagt, dat je laat zien hoe kwetsbaar je bent, dat maakt dat er altijd een draadje naar die jonge ander is, hoe ver je ook weggaat of hoezeer je ook met andere dingen bezig bent. Je draagt ineens een grote verantwoordelijkheid voor de veilige en gezonde start van een mensenleven.

Daar zijn heel wat vaardigheden voor nodig en ik denk dat borstvoeding geven en eventuele problemen daarbij overwinnen, een wonderbaarlijk mooie leerschool is voor die capaciteiten. Je legt daarmee een stevig fundament onder het leven van je kind, maar versterkt ook het fundament onder je eigen bestaan. Stoppen met voeden wordt bij oplosbare problemen dan symptoombestrijding, een soort ‘voortijdig schoolverlaten’, een gemiste kans op ‘jong geleerd, oud gedaan’.
Ook voortijdige schoolverlaters bouwen geregeld een goed en waardevol leven op. Toch is de kans reëel dat ze vroeg of laat tegen een kennisleemte aanlopen die hun mogelijkheden beperkt en die ze graag zouden opvullen, wat ineens op latere leeftijd om allerlei redenen een stuk lastiger blijkt.

Ik pleit daarom oprecht en uit het diepst van mijn hart voor lactatiekundige zorg in het basispakket, zodat moeders niet na één consult het gevoel hebben het bijltje erbij te moeten neergooien omdat er te veel huiswerk ligt. Maak van moeders en jonge ouders geen voortijdige schoolverlaters, maar gun ze de kans op het doorlopen van dat vormende, verrijkende, persoonlijk én maatschappelijk belangrijke leertraject van het ouderschap!

woensdag 3 juni 2015

Ostium uteri

WAARSCHUWING VOORAF: Dit blog bevat informatie over de vrouwelijke anatomie, dus wie het schaamrood op de eigen kaken niet kan verdragen bij het lezen over fysieke aspecten van het vrouwzijn, doet er goed aan deze tekst weg te klikken.

Onlangs vond ik op mijn Facebook-tijdlijn een bericht over giftige stoffen in tampons. Ik deelde het bericht, met de opmerking dat dit, na allerlei berichten over gifstoffen in voedingsmiddelen, opnieuw informatie was om over na te denken en aanleiding om een alternatief te zoeken. Eén van de reacties was dat ik de mooncup zou kunnen proberen. Ik ben bekend met deze optie en heb er zelfs één aangeschaft een paar jaar geleden, want de gezondheid van mijn lijf en de ecologische vriendelijkheid van dit dingetje spreken mij zeer aan. Helaas is mijn baarmoedermond zodanig gekanteld dat deze optie voor mij niet geschikt bleek en dat meldde ik in reactie op het voorstel voor de mooncup. Vanuit mijn sociale omgeving kreeg ik vervolgens de opmerking dat dit een ongepaste mededeling was voor op Facebook, want ‘way too much information’. Ik vroeg na wat er zo ongepast aan was, maar kreeg er niet echt duidelijk antwoord op. Er werd voorgesteld dat ik de opmerking zou verwijderen. Ik heb dat niet gedaan en zal dat ook niet doen en ik zal in het navolgende uitleggen waarom niet.

Ik was acht jaar oud ten tijde van mijn menarche, razend vroeg, maar mijn moeder had het zien aankomen en had me goed voorgelicht. Mijn oma vond het ‘niet normaal’ en raadde mijn moeder aan ermee naar de huisarts te gaan. Mijn moeder zag daar het nut niet zo van in, maar ging toch. De huisarts schijnt te hebben gevraagd of mijn moeder en ik er een probleem mee hadden. Dat was niet het geval. Dan was er geen probleem, was de conclusie van de huisarts. (Ja, kom er maar eens om, om zo’n huisarts!) De regelmaat zat er niet meteen in, maar vanaf een jaar of drie later wel; toen was ik dus elf. Dat betekent dat ik al zo’n veertig jaar producten gebruik die in de media vaak met het woord ‘dameshygiëne’ worden aangeduid. Het grootste deel van al die jaren heb ik niet geweten dat tampons wellicht schadelijk kunnen zijn door de stoffen die ze bevatten. Is dat niet vreemd? Waarom wordt daarover zo weinig informatie verstrekt? Is de gezondheid van vrouwen daarvoor niet belangrijk genoeg, ondanks dat zij het zijn die een nieuwe generatie ter wereld brengen?

In 1990 baarde ik thuis, in ons eigen bed, ons eerste kind. (Voor wie niet zo bekend is met het verschijnsel geboorte: baby’s komen via de baarmoedermond ter wereld.) We hadden voor een thuisbevalling gekozen, omdat we een diep vertrouwen hadden in het functioneren van mijn lichaam. Ik voel me daarmee volledig vertrouwd en ik heb geen problemen met de verschijnselen die met die wonderbaarlijke vruchtbaarheid gepaard gaan. Een kind mogen dragen en het licht mogen doen zien, is immers, hoe cliché ook, een mirakel. (Voor wie niet zo bekend  is met het verschijnsel zwangerschap: sperma komt via de baarmoedermond in de baarmoeder en vandaar in de eileiders terecht, waarna er een bevruchting kan plaatsvinden.) Ik ben naar onze dochters toe ook altijd heel open geweest over al die zaken, omdat ik er oprecht van overtuigd ben dat normaal omgaan met die lichamelijkheid, de beste garantie biedt op het voorkomen van taboes en trauma’s aangaande alle processen rondom de voortplanting en, veel groter nog, rondom het vrouwzijn. Hun menarche was wat mij betreft reden voor een moeder-dochter-etentje: wat een zegen voor de toekomst, als dit aspect van je ontwikkeling probleemloos verloopt. (Voor wie niet zo bekend is met het verschijnsel menstruatie: menstruatiebloed verlaat via de baarmoedermond het vrouwelijk lichaam.)

Inmiddels ben ik twintig jaar actief in het borstvoedingswerkveld en heb ik een waanzinnige hoeveelheid kennis opgedaan aangaande alles wat met borstvoeding verbonden is en hoe daarop ook de baring van invloed is. Een bevalling waarbij een vrouw niet angstig is, waarbij ze zich veilig voelt met haar eigen lichaam en de mensen om haar heen en waarbij er respect is voor de heilige eenheid tussen moeder en kind direct na de geboorte… zo’n bevalling is een zeer bekrachtigende ervaring, eentje die levenslang bij de vrouw in kwestie blijft, die haar moederschap ondersteunt en die haar kinderen een prachtig, bemoedigend voorbeeld biedt, zeker als die baring ook nog eens wordt gevolgd door een bevredigende borstvoedingsperiode. Zo’n ervaring helpt om geen angst over te dragen, maar vertrouwen, geen pijn, maar een intense ervaring, geen gebeurtenis waar je even doorheen moet, maar een vormende, spirituele transitie naar een nieuwe levensfase.

Als borstvoedingsvrijwilliger en lactatiekundige heb ik inmiddels ruim twintig jaar ervaring met de problemen waarmee voedende vrouwen in aanraking komen. Veel van die problemen hebben te maken met een gebrek aan kennis over het functioneren van het eigen lichaam of met een gebrek aan kennis over de risico’s van bepaalde keuzes in de reproductieve periode.
Natuurlijk zijn er ook situaties waarin mannen te weinig weten over risico’s in gezondheidskwesties, maar hoe je het ook wendt of keert… het lichaam en de fysiologie van de vrouw zitten met de maandelijkse fluctuaties ingewikkelder in elkaar dan die van de man. Gezien het feit dat de vrouw het nageslacht draagt, baart en zoogt, zijn de consequenties van risicovolle benaderingen in haar geval ook groter. Dat kun je discriminatie noemen en je kunt zeggen dat vrouwen daarin zijn achtergesteld. Je kunt ook zeggen dat vrouwen de eer hebben een grote verantwoordelijkheid te mogen dragen op dat punt en dat ze daarin bevoorrecht zijn. (Drie keer raden voor welke optie ik ga…)

Dat wat begon als borstvoedingsbegeleiding, is voor mij daarom in ruim twintig jaar uitgegroeid tot betrokkenheid bij de vrouwelijke gezondheid: vrouwen zijn de schakel in de keten van de gezondheid van de volgende generatie, waar natuurlijk ook jongens en mannen uit voortkomen. De vrouw is in mijn opinie dan ook niet zomaar een radertje in het systeem, maar een fundamentele schakel in de doorgaande lijn van de geschiedenis. Haar gezondheid, haar vaardigheden, haar emotionele en psychologische kracht en stabiliteit zijn van doorslaggevend belang voor haar kroost en daarmee voor de samenleving. Daar spreek ik me graag voor en over uit en niet alleen in abstracte termen, maar soms ook in heel persoonlijke bewoordingen. Ik zie zelf niet hoe mij dat diskwalificeert of voor schut zet, maar blijkbaar zijn bepaalde taboes groter dan ik doorhad.
In een besloten groep deed ik navraag naar hoe vreemd het was dat ik in de context van veilige of onveilige tampons en mooncups iets had gezegd over de stand van mijn baarmoedermond. Dit was één van de reacties:
“Verschillende mensen nemen aanstoot aan verschillende dingen. Wat voor jou normaal is en bespreekbaar, kan een ander te ver gaan. Ik ben van mening dat als er een discussie over menstruatiebloed en mooncups gaande is en je daar aanstoot aan zou kunnen nemen, je op moet houden met verder lezen. Het lijkt me namelijk niet meer dan logisch dat als een gekantelde baarmoeder al tot je persoonlijke taboe-top-tien behoort, mooncups en menstruatiebloed in pyjama's daar niet ver achteraan kunnen komen. Het lijkt mij een geval van gebrek aan impulscontrole van de klager; schijnbaar heeft de nieuwsgierigheid het toch gewonnen.”

Dit blog is geen pleidooi om willekeurig welk intiem detail op Facebook te posten. Wel lijkt het me belangrijk om zaken binnen hun context te beoordelen. Dan kun je natuurlijk nog steeds van mening verschillen over wat ‘gepast’ is en wat niet, maar dat de vrouwelijke gezondheid in dit soort zaken (denk ook aan mammografieën: carcinogene röntgenstralen ter controle van kanker?!) niet prominenter in beeld is, dát vind ik dan weer ongepast en het zou fijn zijn als dáárover wat meer lawaai zou worden gemaakt.
Tot slot nog deze link over de hypothetische mannelijke menstruatie; mooie omdenksuggestie!

woensdag 20 mei 2015

Onderzoek (met de klemtoon op de laatste lettergreep)!


Een wonderlijk gevoel maakt zich van me meester: na bijna vier maanden helemaal opgeslurpt te zijn door de antropologie, heb ik nu ineens elf dagen voor de boeg waarin er geen studieverplichtingen zijn! Ik had vandaag net als maandag een tentamen en daarmee heb ik (als er voldoendes uitrollen…) twee grote vakken afgesloten. In juni volgt nog een kleiner vak, maar dat begint echt pas op 1 juni, dus dat betekent dat ik even niets hoef te doen! Wat een aparte ervaring!
Maar goed… ‘niks hoef te doen’… dat betekent natuurlijk dat het de allerhoogste tijd is om weer eens een blog te schrijven. De wil was er wel, de afgelopen weken, maar de tijd ontbrak ten enenmale.

En laat ik dan vandaag op de laatste nieuwsbrief van Vakblad Vroeg stuiten, waarin kond wordt gedaan van een onderzoek naar slaapproblematiek onder jonge kinderen. De titel van het stuk luidt: ‘Hoger risico op psychische problemen voor slecht slapende vierjarigen’. Ik weet niet hoe het jou als lezer vergaat, maar ik krijg bij zo’n kop meteen een stortvloed aan vragen in mijn hoofd. Als een goed wetenschapper in opleiding wil ik om te beginnen natuurlijk weten hoe het zit met de interne validiteit van het onderzoek, dus met de vraag hoe het met de causaliteit is gesteld: wat is oorzaak en wat is gevolg? Klopt de richting die hier wordt gesuggereerd? Is het slechte slapen de oorzaak van de grotere kans op psychische problemen... of is het misschien andersom? De onderzoekers hebben daar gelukkig ook naar gekeken en in de inleiding staat:  ‘Omgekeerd is een soortgelijk effect merkbaar, jonge kinderen met psychische problematiek hebben vaker een slaapstoornis.’

Printscreen van de website van Vakblad Vroeg

Het onderzoek is gehouden in Noorwegen, waar onderzoekers een enquête hebben gehouden onder ouders van zo’n 1000 peuters. De afgelopen weken hebben we ons als studenten intensief beziggehouden met het opstellen en afnemen van enquêtes en dat blijkt een verdraaid lastige aangelegenheid te zijn. Aan wie stel je vragen? Hoe werf je die groep? Welke vragen stel je? Zijn ze open of gesloten? In welke volgorde stel je ze? Prospectief (op basis van wat nog komt) of retrospectief (op basis van herinnering)? Hoe is de verhouding tussen jou, interviewer, en de geïnterviewde? Heeft die het gevoel in een bepaalde richting te moeten antwoorden? Komt dat door jouw vragen of door de ‘machtspositie’ die jij als onderzoeker hebt? Worden de ouders gevraagd omdat er een probleem is of ‘zomaar’? Als het goed is, kan ik op een deel van die vragen antwoord krijgen door het onderzoeksrapport te bestuderen. Dat heb ik op dit moment nog niet gedaan, maar ik kon vanuit de tekst van Vakblad Vroeg wel doorklikken naar ScienceDaily, waar ik wat meer informatie hoopte te vinden. Het stuk van Vakblad Vroeg bleek grotendeels een vertaling van het stuk op Science Daily te zijn, zodat ik op de Engelstalige site nog niet veel verder kwam. Ik zal binnenkort zoeken naar het originele artikel, waartoe ik als universitair student ineens toegang heb; wat een luxe!

Printscreen van de website van Science Daily (en kijk even naar het stuk er vlak naast... brrr!)

Nog lang niet al mijn vragen zijn namelijk beantwoord. Een greep uit de resterende:
-         - De symptomen van angst en depressie die het gevolg kunnen zijn van slaapstoornissen… kunnen die ook de oorzaak ervan zijn?
-         - Is het, zoals wordt gesteld, echt normaal dat kinderen van die leeftijd periodes hebben waarin ze slecht slapen?
-         - Wat is om te beginnen overigens de definitie van ‘slecht slapen’ en wie bepaalt die?
-         - Wat wordt er verstaan onder ‘corrigerende maatregelen’ om de slaapstoornis te verhelpen?
-         - Moeten we ons niet razend grote zorgen maken als er sprake is van psychiatrische stoornissen bij kinderen van vier jaar?
-         - Als die zodanig zijn dat je ze kunt meten… is er dan niet al heel, heel veel aan de hand?
-         - Wat wordt er bedoeld met de uitspraak ‘biologisch bepaald’ ten aanzien van de correlatie tussen psych(iatr)ische problemen en slaapstoornissen?
-         - Aan wat voor onderliggende genetica wordt daarbij gedacht en is in dat geval het kind niet doodziek (in plaats van dat het kampt met een meestal sociaal veroorzaakt probleem)?
-         - Hoe is de relatie met de ouders en hoe is de relatie van de ouders onderling?
-         - Als 20-40% van de kinderen problemen heeft met slapen (een primaire, automatische biologische functie, vooropgesteld dat die niet wordt verstoord) en dat slechts de helft ‘eroverheen groeit’, wat vinden we daar maatschappelijk gezien dan van?
En onvermijdelijk zijn er natuurlijk nog die laatste paar vragen:
-         - Hebben deze kinderen (uitsluitend) borstvoeding gehad en zo ja hoe lang en hoe lang ook nog in de nacht?
-         - Waar sliepen deze kinderen in de vroege periode en hoe werd er met hun huilgedrag omgegaan?
-         - Is er alleen naar het huidige slaapgedrag gevraagd, of ook naar het babyslaapgedrag?

Naast een paar methodologische issues (waar ik zelf nog niet helemaal diep genoeg in zit om er de finesses uit te filteren) zijn dit de dingen die ik door het rapport graag beantwoord zou willen zien.
Het staat er allemaal zo eenvoudig en het lijkt allemaal helder, maar bij veel onderzoek is het helemaal niet zo duidelijk wat er is onderzocht, wie er zijn bevraagd, op welke manier en hoe de analyse van de data en discussie over de resultaten zijn verlopen.



Het valt mij meer en meer op dat veel maatschappelijke, sociale, medische verschijnselen worden onderzocht, zónder dat er naar de babytijd wordt gekeken, zonder dat daarover kritisch wordt doorgevraagd, terwijl doorvragen, zoals wij leerden in één van de hoorcolleges, één van de belangrijkste aspecten is bij het naar boven halen van relevante onderzoeksresultaten. Het standaardverhaal… dat heb je zo op tafel, maar dan begint het pas… waarom, waarom, waarom? Het is het afpellen van de sociaal wenselijke, de maatschappelijk geaccepteerde laagjes wat nodig is om tot de kern te komen. Daarin heeft niet alleen de wetenschapper een taak, zoals professor Trudy Dehue liet optekenen voor het Festival der Wetenschappen in Felix Meritis in Amsterdam, maar ook het grote publiek: “Knowledge should be questioned for its ingredients and production. Not only at universities but in society at large the importance of scientific thinking, arguing and reasoning should be acknowledged.” Vraag door, neem niet alles zomaar aan, maar vraag de onderzoeker het hemd van het lijf. Dan neem je het onderzoek serieus en ook het gezondheidsbelang dat ermee is gediend. Als ik meer weet over dit specifieke onderzoek, dan meld ik mij weer!