zaterdag 5 maart 2016

Seksualisering versus babybelangen, deel 1

Er is al veel te doen geweest over een boek dat is verschenen en dat de titel ‘De Melkfabriek’ draagt. Eerst maar even een greep uit de aandacht voor de publicatie: een interview met de voorzitter van de Nederlandse Vereniging van Lactatiekundigen, een artikel op de website van Kroost, waarvan een paar medewerkers betrokken zijn bij het boek, een open brief van Mevrouw Boob, die van een afstandje naar het boek kijkt, een item bij RTL Late Night, een interview op Radio1 en verder zowel op twitter als op Facebook heel veel discussie op de pagina’s van heel veel mensen. Daar horen ook blogs en artikelen bij die zijdelings aan de discussie gerelateerd zijn, zoals dit bij Kiind of dit over taalgebruik bij Kenniscentrum Borstvoeding.

Ook ik heb links en rechts mijn duit in het zakje gedaan. Ik ga er hier graag wat dieper op in, want het is wel bijzonder dat dit boek zoveel losmaakt. Waar komt dat van?

Voorafgaand aan het uitkomen van het boek waren er hier en daar al passages te lezen geweest voor geïnteresseerden van binnen en buiten het borstvoedingsvakgebied. De reacties liepen uiteen. Sommigen waren heel enthousiast over zowel toon als inhoud, anderen waren om uiteenlopende redenen kritisch of afkeurend. Zelf hanteer ik al een aantal jaren op tamelijk consistente wijze één kernvraag bij allerlei documenten, beleid en methodes en die vraag luidt als volgt: op welke wijze worden de behoeften en de belangen van het kind gediend?
Ik vind dat een cruciale vraag. Een kind is immers afhankelijk van de keuzes die volwassenen voor haar maken. Ze kan nog niet onderbouwd en met redenen omkleed van zich laten horen en omschrijven wat ze zou doen als ze het zelf mocht regelen, als ze zelf mocht beslissen, op basis van de kennis waarover wij als volwassenen wél beschikken. Uiteraard kunnen we de keuzes van het kind niet in detail invullen, maar we kunnen er op allerlei gronden wel met een behoorlijk ‘educated guess’ een slag naar slaan. Dat kan op basis van wat we weten over hoe het brein zich optimaal ontwikkelt en wat daarvoor nodig is. Daar horen diverse voor de hand liggende dingen bij: veiligheid, betrouwbare, responsieve en fysiek beschikbare verzorgers, gezonde voeding die de darmfunctie en de darmflora ondersteunt en nog wel meer, maar dit zijn de belangrijkste.
Daar redelijk direct aan gekoppeld is de vraag of degene aan wie de eer toevalt primair in die vroege behoeften te kunnen voorzien, daartoe in staat is en in staat wordt gesteld.

Zo kom ik op drie basisvragen:
1.       Worden de behoeften van het kind op waarde geschat?
2.       Schat de moeder zichzelf op waarde?
3.       Schat de samenleving de moeder-kindeenheid op waarde?
Aangaande deze vragen zag ik nogal wat knelpunten in de reacties van de auteurs in de diverse media-uitingen. Ik maak een begin met een analyse.

Een paar fundamentele punten, even voor de helderheid: een mens is een sociaal wezen. Een kind komt ter wereld met de verwachting dat er een veilige leefomgeving is om in op te groeien. Er is veel veranderd in onze samenleving sinds de tijd dat we verzamelaar-jagers waren. Ik zet deze woorden bewust in deze volgorde: het vrouwelijke verzamelwerk leverde namelijk een stuk meer calorieën op dan het mannelijke jagen, dus de rol van vrouwen in de voedselvoorziening is altijd cruciaal geweest; zie voor meer informatie het werk van Sarah Blaffer Hrdy. Toch wordt, ondanks alle veranderingen,  ons brein ook in het huidige, post-industriële tijdperk nog steeds aangestuurd door een aantal sterke, fundamentele emoties. Daarvan is angst een heel belangrijke, omdat die overlevingsstrategieën in gang zet. Baby’s kunnen in hun eentje niet overleven en hebben dus altijd een verzorger nodig. Dat is waarom kinderarts en psychoanalyst Donald Winnicott in de jaren 60 zei: ‘There is no such thing as a baby; there is always a baby and someone”. Hoe beter die verzorger in staat is om voor veiligheid te zorgen (en zo angst en stress op afstand te houden), hoe beter het kind zich kan ontwikkelen.
Da’s niet moeilijk, toch? Dat snappen we allemaal, want dat geldt net zo goed voor volwassenen: als je bang bent, kun je niet goed iets nieuws leren, want dan functioneert je brein niet goed.

Nu wil het geval dat vrouwen uitzonderlijk goed zijn toegerust voor het bieden van die randvoorwaarden voor veiligheid en voeding, en hun borsten vervullen daarbij een essentiële rol. Ik vond dat persoonlijk een grote eer, maar er schijnen ook vrouwen te zijn die het een on-eer-lijke aangelegenheid te vinden dat dat hulpeloze wezentje, waarvoor ze meestal zeer bewust hebben gekozen, ‘ineens’ van alles van ze wil. Ze gaan klagen, dat dat niet in hun leven past, dat het ouderschap wel leuk moet blijven, en dat pleitbezorgers van gezonde voeding en een responsieve benadering lid zijn van de georganiseerde misdaad, van een geheime, criminele organisatie met criminele, culturele, politieke en economische segmenten. Deze vrouwen plaatsen zichzelf, kortom, in de slachtofferrol en daarvoor leggen ze de verantwoordelijkheid bij anderen, want die praten hun een schuldgevoel aan.
Is dit die belevingswereld waarbij de auteurs van het boek ‘De Melkfabriek’ zich zeggen aan te sluiten…? Is dit het type moeder en vrouw dat zich herkent in het boek en er enthousiast over is?

Ik moest denken aan de zogenaamde marshmallowtest, waarvan je hier een versie vindt en hier nog een vernieuwde editie. De strekking van die test is de volgende: een kind dat in staat is te wachten op meer van dat waarnaar het uitkijkt, blijkt later in het leven succesvoller te zijn. Het blijkt een zeer sterke voorspeller: zelfbeheersing en langetermijndenken gaan gepaard met betere resultaten. De tweede test is interessant: hoe betrouwbaarder de omgeving is, hoe beter een kind leert om de bevrediging van bepaalde behoeften even uit te stellen omwille van een groter rendement iets verder in de tijd.
Wie dat als kind niet goed leert, schijnt er later moeite mee te houden.

Hoe kunnen we vanuit dat idee kijken naar de investering van ouders in een baby in de vroege fase? Hoe verhoudt die investering zich tot de dringende wens om nu, nog steeds, net als voor de komst van dat kleine mensje, de *eigen*, volwassen behoeften *meteen* te bevredigen, zodat alles ‘leuk’ blijft?

Is het echt zo moeilijk om gedurende een tijdje een deel van de eigen behoeften wat meer naar de achtergrond te verplaatsen? En was de komst van dat kind trouwens niet óók een heel grote eigen behoefte? Hoe komt het, dat het als zo’n zware last wordt ervaren om de babybehoeften voorrang te geven en daarin te investeren? Welke eigen behoeften van de ouder zijn in een eerder stadium niet bevredigd en schreeuwen nu alsnog om aandacht?
Wat ik proef in wat ik tot nu toe van het boek heb gelezen en hoe ik de schrijvers erover hoor praten, is vooral een sfeer van volwassen verwende kinderen, die nu ouders zijn: “Ik beslis zelf wat ik doe en ik trek me van niemand wat aan, zeker ook niet van dat kind met haar behoeften, als die mijn eigen behoeften in de weg zitten.” In dit artikel luidt dat als volgt: "We wilden een informatiebron die de moeder centraal stelt, niet de baby.” In het ‘Voorwoord’ klinkt het als: “ [I]k vind dat iedere vrouw mag kiezen of en hoe lang ze borstvoeding wil geven” en “Ik wilde graag proberen om mijn kind borstvoeding te geven, ja” en “[I]k wil [mijn borsten]  best even inzetten als melkmachine, maar daarna zijn ze weer van mij” en “[vind] je het niet leuk, dan mag je ook echt stoppen”. Ik, ik, ik. Mijn meningen, mijn keuzes, mijn leuke leven. Er lijkt weinig plaats voor zo’n mooi begrip als dienstbaarheid of wederzijdse afhankelijkheid… of voor de vragen: “Wat zou mijn baby willen? Wat heeft ze nodig? Hoe kan ik daaraan zo goed mogelijk tegemoet komen?”



De behoeften van de baby, vraag 1. hierboven, staan meestal niet op de voorgrond in de samenleving, maar kunnen bij gebrekkige bevrediging een generatie later lelijk opspelen. Dat kan zich op allerlei manieren uiten. Het boek ‘Parenting for a Peaceful World’ van Robin Grille biedt een fascinerende blik daarop, maar er zijn uiteraard veel meer goede bronnen. In een volgend deel ga ik uitgebreider in op de verhouding tussen behoeftebevrediging, het gebrek daaraan en de gevolgen, zoals lelijk bijtend sarcasme, dat door sommigen, waaronder de auteurs, luid wordt geprezen, maar door Wikipedia als volgt wordt omschreven: “Deze stijlfiguur is scherp en agressief van aard: er ligt altijd een aanval in besloten op een persoon, toestand of uitlating. Weliswaar kan sarcasme daardoor als een vorm van humor worden gezien, maar tegelijkertijd vormt het een aanval.” Is dat een passende aanpak voor de prille levensfase? Volgende keer meer, onder andere daarover.

Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen